Schakelbord – blokken definiëren

Om uiteindelijk (automatisch) met treinen te kunnen rijden is het van essentieel belang dat je de baan opdeelt in blokken. Deze zorgen ervoor dat iTrain weet waar je trein is, waar die heen gaat en wat er moet gebeuren om de trein op zijn bestemming te krijgen. Blokken zorgen er tevens voor dat er geen botsingen plaatsvinden. Bij een complexe baan is het verstandig om vooraf – op papier – een schets te maken van je blokindeling. Dat hoeft niet, maar mijn ervaring is dat wanneer je zonder voorbereiding in het diepe springt, je een groot risico loopt zaken over het hoofd te zien.
Bij een “organische” baan zoals ik hem maak (een baan zonder plan dus 😉 ) is dat helemaal verstandig. Ik zet zelf alle informatie in een WinRail ontwerp, omdat ik anders het spoor bijster raak.
Blokken maak je aan in de schakelbord editor.
In een optimale situatie is het kortste blok even lang als je langste trein.

Let op: een blok bevat NOOIT wissels en wissels behoren dus NOOIT tot een blok.

Blokken maak je in iTrain in een aantal stappen:

  1. Plaats het bloksymbool.
    Bloksymbool
    Dit doe je door op de cel te gaan staan (linker muisknop klikken) waar je het symbool wilt plaatsen en op de “B” toets van je toetsenbord te drukken. Het symbool staat nu meteen goed.
  2. Plaats de richtingpijl.
    Blokrichtingsymbool
    De richtingpijl geeft NIET de rijrichting aan, maar de richting waarin het volgende blok ligt. Dit kun je het beste consequent doorvoeren, omdat iTrain uit gaat van een logische volgorde. Als je de blokken gaat koppelen en vullen met informatie betekent “vorig blok” dus het blok aan de open kant van het pijltje en “volgend blok” het blok aan de spitse kant van het pijltje.
    Je plaatst de pijl door de gewenste cel te selecteren (linker muisknop klikken) en de “P” toets op je toetstenbord in te drukken. Je kunt de pijl roteren door de cel te selecteren en dan op de “R” of “T” toets van je toetsenbord te drukken.Blokvolgorde
  3. Plaats de bezet-/terugmelders.
    Afhankelijk van je voorkeur plaats je 3, 2 of 1 bezet-/terugmelder(s) per blok. Wat je kiest is een persoonlijke keuze.
    Bij 3 melders heb je ook 3 hardware aansluitingen nodig: dus drie fysiek gescheiden secties en 3 uitgangen op je bezet-/terugmeldmodule.
    Bij 2 melders heb je ook 3 fysiek gescheiden secties in je blok, maar je gebuikt maar 2 uitgangen van je bezet-/terugmeldmodule.
    Bij 1 melder heb je 1 fysiek gescheiden sectie (het hele blok dus) en 1 uitgang op je bezet-/terugmeldmodule bezet.Er zijn voor iedere methode wel voor- en nadelen te vinden. Als je daarover meer wilt weten kun je de handleiding raadplagen óf eens rondkijken op het iTrain forum. Daar vind je veel informatie over de verschillende mogelijkheden.
    Ik gebruik zelf de optie met 1 terugmelder en zal dat ook hier doen. Het principe blijft overigens hetzelfde – de trein komt binnen en – indien nodig – remt af en stopt .
    Je plaatst een terugmelder door op de cel te gaan staan (linker muisknop klikken) en op de “F” toetst van je toetsenbord te drukken.

    BlokelementenDe 3 basiselementen van een blok.

     

  4. Plaats seinen.
    Seinen hebben geen functie in iTrain zelf en zijn strikt genomen voor het programma niet noodzakelijk. Het wel of niet plaatsen heeft dus geen enkele invloed op de werking van het programma.
    Echter: op een baan staan seinen. En dus gebruiken we ze ook in iTrain – sterker – we laten ze door iTrain bedienen !
    Een sein zet je altijd op het blok vóór het blok dat het beschermt. Selecteer de cel en druk op de “S” toets van je toetsenbord. Het sein wordt nu geplaatst. LET OP – het sein element heeft een boven- en onderkant. De onderkant is de kant met het horizontale streepje – de bovenkant heeft twee schuine hoekjes. Zorg ervoor dat het sein met de bovenkant naar het te beveiligen blok wijst !!

    Het sein is gekoppeld aan blok 1 en beschermt blok 2. Als er in blok 2 een trein staat, staat het sein op rood.

     

  5. Je hebt nu de drie basiselementen en de seinen van een blok getekend. Er is echter nog geen blok als zodanig gedefinieerd. De elementen moeten nu gegroepeerd worden, zodat iTrain het geheel ook als een blok kan zien. Dit doe je door alle elementen (dus ook de “spoorlijn” die bij het blok hoort) te selecteren. Dat kan met klikken en slepen of – bij een bocht – cel voor cel te kiezen en vervolgens op de “G” toets van je toetsenbord te drukken.

    Als je klaar bent ga dan op een lege cel staan en druk nogmaals op de “G” toets. Dat beëindigt het groeperen en je ziet dat het blok nu een bruine lijnkleur heeft.

    Herhaal dat voor alle blokken die je aan wilt maken.

    Nu de blokken vastgelegd zijn wordt het tijd om de noodzakelijke informatie toe te voegen.
    Ik doe dat door EERST de terugmelders te benoemen en te voorzien van de juiste informatie. Daartoe dubbelklik ik op de betreffende terugmelder en er wordt dan een nieuw dialoogvenster geopend.

     Tmelder01

    Als eerste geef je de terugmelder een naam. Ik gebruik altijd de hoofdletter T, gevolgd door een nummer en de naam van het blok. Je kunt uit verschillende types kiezen – ik gebruik terugmelders, dus die kies ik dan.

     Tmelder02

    Vervolgens geef je de lengte van de terugmelder (lees de sectie) aan. Omdat ik met 1 terugmelder werk is dat tevens de lengte van het blok. Werk je met 2 of 3 melders, dan geef je de lengte van de betreffende fysieke sectie aan.
    LET OP: iTrain kent geen insert functie bij het typen van de lengte. Zorg er dus voor dat je het hele vakje selecteert, anders kun je voor verassingen komen te staan en is je terugmelder plotseling 10 meter….

     Tmelder03

    Als laatste voer ik het adres van de terugmelder in. In dit geval “1”.

    Als je hiermee klaar bent zul je zien dat het symbool van de terugmelder veranderd is van een ovaaltje naar een vierkantje. Zo zie je dus meteen of je de wijzigingen hebt aangebracht.
    Het is verstandig om tussentijds een keer op de bewaar knop te drukken !

  6. Hetzelfde doe ik voor de seinen.

    Dubbelklik op het sein en je krijgt nevenstaand dialoogvenster te zien. Hier geef je het sein een naam en je kiest voor het seintype en de begintoestand (dat is de instelling die het sein van iTrain krijgt als je het programma opstart of herinitialiseert).
    Voor dit voorbeeld heb ik een algemeen sein gekozen, maar als je een Duitse baan hebt zou je op deze positie een DB uitrijsein nemen.
    De toestandstoewijzigingen hebben te maken met hoe je interface het sein bestuurd en zijn dus per interface in te stellen.
    Hierop kom ik later nog terug als het over de OC32 gaat.

    Als je relais en/of ontkoppelaars gebruikt kun je die het beste ook nu alvast definiëren. De werkwijze is gelijk aan seinen en bezetmelders.

  7. Nu kan de informatie aan het blok worden toegevoegd. Dubbelklik op het betreffende bloksymbool en er wordt een nieuw dialoogvenster geopend.Tabblad 1
    Blokken01
    Als eerste geef je het blok een naam. Daarin ben je – zoals altijd – volledig vrij. Ik gebruik zelf altijd een naam die begint met “B-” gevolgd door een tekst en/of nummer. In dit geval wordt het B-01. Je kunt het omschrijvingsveld altijd gebruiken om een wat uitgebreidere omschrijving weer te geven, bijvoorbeeld “blok doorgaand spoor station 1”. Het type is in dit geval “station”. De keuze voor het type bepaalt mede de eigenschappen van het blok. Zo zal bij station de maximum snelheid automatisch datgene worden wat je eerder bij de instellingen van het programma hebt opgegeven. De lengte is de fysieke lengte van het TOTALE blok – dus als je 3 meldsecties hebt gat over de lengte van die 3 bij elkaar opgeteld. Het veld marge gebruik je om eventuele verschillen in de stoppositie van treinen te compenseren. Meer informatie hierover vindt je terug in de handleiding. Ik ga er nu even van uit dat ieder trein die rondrijdt in het blok past.
    Het juist functioneren van iTrain is afhankelijk van het goed invullen van alle lengtematen. Let hier dus extra goed op!
    Ik ga er ook van uit dat het spoor geëlektrificeerd is. Als je dit vinkje uitzet kun je geen e-locs laten rijden in dit blok!
    De spoorbreedte is standaard die welke je bij de instelling hebt opgegeven. Het kan zijn dat je smalspoor en normaalspoor combineert. In dat geval bepaalt deze instelling welke treinen wel en niet in dit blok mogen rijden (dus geen smalspoor op normaalspoor en v.v.).
    De richting geeft aan hoe de blok bereden kan worden. Voorkeursrichting is de richting van vorig blok naar volgend blok. Bij routeplanning zal die volgorde bij voorkeur worden gebruikt, maar tegenovergesteld is toegestaan. Beide richtingen en één richting spreekt voor zich.
    In dit geval kies ik voor voorkeursrichting, omdat het traject een enkelsporige lijn is met treinverkeer dat hoofdzakelijk rechtsom rijdt.
    Stijging is op dit moment nog niet geïmplementeerd. Richtingsverandering verboden en tandrad spreken denk ik voor zich.
    Automatisch seinen: dit gebruik je eigenlijk alleen bij blokken die niet worden gescheiden door wissels. Het sein wordt dan automatisch op groen gezet als het volgende blok vrij is.
    Vink je dit niet aan en er liggen wel wissels, dan staat het sein automatisch op rood totdat het blok ná de wissels gereserveerd wordt door de trein die in dit blok staat. Dit is bij routeren en automatisch rijden van toepassing.
    In dit geval volgt er een wissel en dus staat het vinkje uit.
    De interface is je centrale – hier dus “demo interface”. Polariteit gebruik je als je RailCom detectoren of Dinamo gebruikt – ik werk hier niet mee.
    Bij gebruik van een booster kan hier opgegeven worden welke booster dit blok voedt. Als je een relais gebruikt om het blok van polariteit te laten wisselen of de voeding aan/uit te zetten vul je dat in bij relais. Je moet deze dan wel toegevoegd hebben aan je schakelbord !
    Als er in het blok een overgang ligt geef je dat ook hier aan.Ik voer deze stap (dus tabblad 1 invullen) eerst uit voor ALLE blokken, voordat ik verder ga met tabblad 2. De reden hiervoor is dat dan bij het automatisch vullen direct de juiste blokbenamingen in de velden terecht komt. Doe je dat niet, dan zie je dat bij het invullen van de tabbladen “Richting:Vorige en Richting:Volgende” géén bloknamen worden vermeld. Je zult dan na het doorlopen van de hele cyclus nog een keer alle blokken moeten aanklikken en automatisch vullen uit moeten voeren. Maar goed, dat is mijn methode en er zijn natuurlijk meerdere wegen die naar Rome leiden.Blokken02
    Tabblad 2Blokken03
    Op dit tabblad staan de terugmelders die bij het blok horen. Omdat ik die al als eerste heb gedefinieerd worden ze nu automatisch weergegeven. Als er niets staat betelkent dit dat je de melders niet hebt gedefinieerd. Je kunt dat alsnog doen via dit scherm.
    Druk nu op de knop “Vul automatisch” en ook de lengte van de melder wordt vanzelf overgenomen. Bij het gebruik van meerdere melders zullen deze er ook staan (tenzij je ze niet vooraf hebt gedefinieerd). Het vakje “toon alles” heeft – in ieder geval voor mij – geen duidelijk functie. Ik vink het voor de veiligheid maar altijd aan 😉

    Tabblad 3
    Hier kun je de instelling wijzigen voor het blok ten opzichte van het vorige blok. Default wordt bovenstaand scherm getoond, maar aangezien ik rijd op posities wordt dat uiteindelijk anders.
    Als eerste druk je op de knop “Vul automatisch”.
    Het is goed om daarvan een gewoonte te maken – bij IEDERE wijziging in een blok óf in de naastliggende blokken doe je er verstandig aan deze knop in te drukken. Het bespaart je heel wat frustratie en zoekwerk !!
    Omdat ik de blokken eerst allemaal van een naam heb voorzien (zie hierboven) verschijnt onder het kopje Blok automatisch de juiste naam van het voorliggende blok.
    Zoals je ziet hebben de drie terugmelders allen dezelfde waarde – dat komt omdat ik maar 1 terugmelder gebruik. Om nu toch drie posities te kunnen gebruiken zoals je dat bij fysiek gescheiden terugmelders hebt vink ik het blokje “Gebruik posities” aan. Het dialoogvenster verandert dan in het venster zoals je dat hieronder ziet.

    Blokken05
    Nu zie je nog 1 terugmelder staan en onder Sein zie je rechts twee nieuwe opties: Rempositie en Stoppositie. Hier kan ik nu de waardes invullen die gelden voor verkeer dat in de richting van het vorige blok rijdt. In dit geval laat ik de rempositie op 0 staan en geef de stoppositie een waarde van 90 cm. Dat betekent dat  de trein bij binnenkomst afremt en op 10 cm vóór het einde van het blok tot stilstand komt. Overigens kun je in plaats van 90 cm ook -10 cm invullen. Bij een negatieve waarde rekent iTrain terug vanaf het einde van het blok en dat komt dus op hetzelfde neer.
    Onderin zie je een nieuwe optie: Perron.
    Aangezien ik eerder aangegeven heb dat dit blok tot een station behoort heb ik nu de mogelijkheid een perron te definiëren met een beginpunt (in dit geval gezien vanaf rechts) en een lengte. Door het vakje “Centreer rond” aan te vinken kan ik exact aangeven waar iedere trein dient te stoppen – het midden van de trein zal dan altijd overeenkomen met die positie. Ik kom hier later nog op terug bij een apart hoofdstuk over stations. Voor nu laat ik dit achterwege.
    na nogmaals op “Vul automatisch” te hebben gedrukt (just in case ….) kan het volgende tabblad bekeken worden.

    Tabblad 4

    Dit is identiek aan tabblad 3 – alleen verwijst het nu richting het volgende blok. Ook hier druk ik eerst op “Vul automatisch” en vink ik “Gebruik posities” aan en dat ziet er dan als volgt uit:

    Blokken06

    Omdat in de richting van het volgend blok een sein is opgenomen zie je dat ook hier terug. Ook hier vul ik als waardes voor de posities 0 en 90 cm in. Het Perron laat ik weer even voor wat het is.
    De trein die nu binnenkomt zal ook weer stoppen op 10 cm voor het einde van het blok. Het is dan natuurlijk wel de bedoeling dat het sein fysiek tussen de 90 en 100 cm wordt gepositioneerd, omdat de trein anders voorbij het sein zou stoppen en da’s natuurlijk niet mooi.
    Overigens: op de opties “Vrijgavemelder” en “Kritisch” kom ik later nog terug. Voor nu is dat nog niet relevant.

    Tabblad 5

    Op dit tabblad kunnen per blok afwijkende snelheden worden ingevoerd. Deze hebben dan prioriteit boven de in de “Instellingen” ingevoerde snelheden. Dit is bijvoorbeeld gemakkelijk als je een blok hebt met een scherpe bocht en waar je liever geen treinen ziet ontsporen door te hoge snelheden.

    Tabblad 6

    Hier kun je opmerkingen en informatie kwijt die je wellicht wilt noteren over het blok.

In principe ben je nu klaar met het maken en vullen van je blokken. Uiteraard heb je tussendoor op de “Bewaar” knop gedrukt en is alles nu vastgelegd in iTrain.
Als je nu het schakelbord (nog steeds in de editing mode) bekijkt zie je dat alle lijnen nu een bruine kleur hebben en dus zijn toegekend aan blokken.
De wissels hebben echter nog een grijze kleur en in iTrain dien je er voor te zorgen dat NIETS een grijze kleur heeft (althans qua railelementen).

Blokken08

De laatste stap is dus het toekennen van wissels aan groepen. In dit geval: 1 wissel = 1 groep.
Je doet dit simpelweg door de wissel te selecteren en op de “G” toets te drukken. Klik daarna op een leeg vlak, druk weer op “G” en herhaal dit totdat alle wissels gedaan zijn. Het eindresultaat ziet er dan zo uit:

Blokken09
Je kunt nu op de knop “Bewaar” drukken en vervolgens op “Ok”. De editor wordt verlaten en je bent terug in het schakelbord.


Terug naar het begin